Overslaan naar inhoud

De polyvagaal-geïnformeerde lichaamsgerichte (psycho)therapeut

Veiligheid als neurobiologische, relationele en ethische grondslag van heling(Niek Ghekiere)

Voorafgaand aan dit artikel…

De polyvagaaltheorie, ontwikkeld door Stephen Porges, heeft de afgelopen decennia een diepe weerklank gevonden binnen het veld van traumatherapie, lichaamsgerichte psychotherapie en relationeel werk. Voor velen bood de theorie een taal om iets te begrijpen wat therapeuten en begeleiders al langer intuïtief waarnamen: dat het menselijk zenuwstelsel voortdurend luistert naar de wereld, op zoek is naar signalen van veiligheid of gevaar, en dat deze waarneming de grond vormt van onze mogelijkheid tot contact en verbinding,  regulatie en herstel.

In de kern beschrijft de polyvagaaltheorie het autonome zenuwstelsel niet als een louter mechanisch regelsysteem, maar als een levend, relationeel systeem dat zich ontwikkelde in functie van overleving en verbinding. Volgens Porges bestaat er een hiërarchie van responsen, waarbij het ventrale vagale systeem (actief wanneer een context veilig wordt bevonden door en voor het lijf) de fysiologische basis vormt van sociale betrokkenheid en wederkerigheid. Wanneer dit systeem actief is, wordt het mogelijk om ons open te stellen voor de ander, om te luisteren, te voelen en aanwezig te zijn. Wanneer veiligheid echter ontbreekt, nemen oudere systemen het over, en verschuift het organisme naar dorsale mobilisatie (fight-flight) of immobilisatie (freeze). Vanuit dit perspectief wordt regulatie niet begrepen als een individuele prestatie, maar als een proces dat diep verweven is met relatie en omgeving.

De brede verspreiding van de polyvagaaltheorie, zowel in klinische als educatieve contexten, heeft echter ook geleid tot kritische reflectie vanuit de internationale wetenschappelijke gemeenschap. In een recente publicatie stelden verschillende onderzoekers (Grossman en collega’s (2026)) dat bepaalde neurofysiologische en evolutionaire aannames van de theorie onvoldoende empirisch onderbouwd zijn. Zij betwijfelden onder meer de mate waarin specifieke vagale pathways eenduidig gekoppeld kunnen worden aan onderscheiden gedrags- en bewustzijnstoestanden, en stelden dat sommige onderdelen van de theorie moeilijk rechtstreeks toetsbaar zijn binnen het huidige neurobiologische onderzoeksparadigma. Vanuit dit perspectief riepen zij op tot grotere voorzichtigheid in het presenteren van de theorie als neurofysiologisch vaststaand feit.

Deze kritiek kan worden begrepen als een uitdrukking van de inherente spanning tussen levende ervaring en wetenschappelijke modellering. Waar therapeuten en begeleiders dagelijks getuige zijn van de subtiele verschuivingen in ademhaling, spiertonus, stem en aanwezigheid die gepaard gaan met gevoelens van veiligheid of onveiligheid, vraagt de wetenschap om nauwkeurige operationalisering en empirische verificatie van de onderliggende mechanismen.

In zijn antwoord op deze kritiek benadrukte Porges (Porges, 2026) dat de polyvagaaltheorie in essentie een integratief kader biedt om de relatie tussen fysiologie, gedrag en ervaring te begrijpen. In een gelijktijdig gepubliceerde reactie stelde hij ook dat de kritiek de polyvagaaltheorie niet correct representeert. In plaats van de theorie te weerleggen op basis van haar werkelijke formulering, zou de kritiek volgens hem gebaseerd zijn op een vereenvoudigde of verkeerd geïnterpreteerde versie van het model. Porges benadrukte dat de polyvagaaltheorie bedoeld is als een systeemtheoretisch kader dat de functionele organisatie van autonome regulatie beschrijft, en dat zij expliciet toetsbare hypothesen heeft voortgebracht over de hiërarchische organisatie van autonome reacties, de rol van sociale signalen in fysiologische regulatie en de neurobiologische basis van veiligheidservaring. Volgens hem voldoet de theorie wel degelijk aan de voorwaarden van wetenschappelijke toetsbaarheid en heeft zij geleid tot empirisch onderzoek en klinische toepassingen die haar verklaringswaarde ondersteunen.

Hij stelde dat de theorie niet bedoeld is als een reductieve beschrijving van geïsoleerde anatomische structuren, maar als een model dat helpt om de functionele organisatie van regulatie te begrijpen in de context van relatie en omgeving. Volgens hem heeft de theorie geleid tot toetsbare hypothesen en tot een groeiend veld van onderzoek dat de rol van autonome regulatie in sociale betrokkenheid, emotionele regulatie en herstel verder verkent.

Vanuit dit perspectief kan de huidige dialoog worden gezien als een teken van vitaliteit, eerder dan als een definitieve weerlegging of bevestiging. Wetenschappelijke theorieën ontwikkelen zich immers in relatie tot nieuwe observaties, nieuwe methodes en nieuwe vragen. De polyvagaaltheorie bevindt zich vandaag in een veld van ontmoeting tussen verschillende manieren van kennen: de directe, belichaamde kennis die ontstaat in (therapeutische) aanwezigheid, en de analytische kennis die voortkomt uit empirisch onderzoek.

Voor therapeuten en begeleiders blijft de centrale intuïtie van de polyvagaaltheorie herkenbaar en betekenisvol: dat veiligheid geen abstract concept is, maar een fysiologische ervaring die zich in het lichaam ontvouwt, en dat het vermogen tot regulatie ontstaat in relatie. Tegelijk nodigt de actuele wetenschappelijke dialoog uit tot bescheidenheid en openheid, en tot een voortdurende bereidheid om onze modellen te verfijnen in het licht van nieuwe inzichten.

In die zin weerspiegelt de polyvagaaltheorie zelf het proces dat zij beschrijft: een dynamisch systeem, in voortdurende afstemming met zijn omgeving, zich ontwikkelend in relatie tot wat zich aandient.


 

Veiligheid als neurobiologische, relationele en ethische grondslag van heling

 

“Veiligheid wordt niet gedacht, maar gevoeld.”

Met deze uitspraak raakt de polyvagaal-geïnformeerde lichaamsgerichte (psycho)therapeut de kern van zijn of haar klinische positie. Veiligheid is niet alleen een cognitieve overtuiging en ook niet louter een morele afspraak; zij is al heel zeker evenzeer een neurofysiologische toestand.  Veiligheid wordt geregistreerd door het autonome zenuwstelsel en vergroot de toegankelijkheid van leerbaarheid, integratie en relationele openheid. Bij hoge dreiging verschuift het systeem naar bescherming, waardoor deze functies vaak minder beschikbaar worden. Dit nuanceert de context die groei, leren, hechting en therapeutische verandering mogelijk helpen maken. Klinkt heel intens en afhankelijk van de interpretatie zelfs voorwaardelijk, maar nuanceringen en context geven aan deze stelling is dan ook heel zeker op haar plaats.

De polyvagaaltheorie van Stephen Porges (2011) beschrijft hoe het autonome zenuwstelsel hiërarchisch georganiseerd is in drie fundamentele regulatiesystemen: het ventrale vagale systeem (veiligheid en sociaal engagement), het sympathische systeem (mobilisatie: vechten of vluchten) en het dorsale vagale systeem (immobilisatie: bevriezing of shutdown). Deze systemen zijn evolutionair verankerd en functioneren niet als abstracte concepten, maar als concrete fysiologische toestanden die hartslag, ademhaling, spierspanning, emotionele beleving en relationele beschikbaarheid organiseren.

Een polyvagaal-geïnformeerde therapeut werkt daarom niet primair met symptoomreductie, maar met toestandsregulatie. Niet alleen meer met correctie, maar met aandacht voor veiligheid.

 

Neuroceptie: het lichaam beslist vóór het denken

Volgens Porges (2011) wordt veiligheid niet eerst cognitief geëvalueerd, maar primair autonoom gedetecteerd via neuroceptie: een onbewuste scan van omgevings- en relationele signalen.

Neuroceptie verwijst naar de werking van subcorticale en hersenstam-gebaseerde netwerken die, buiten het bewustzijn om, veiligheid en dreiging detecteren en autonome responsen organiseren (Porges, 2011).

Subcorticale netwerken verwerken zowel signalen uit de omgeving (exteroceptief) als signalen uit het lichaam zelf (interoceptief) en moduleren op basis daarvan autonome reacties, vaak nog vóór bewuste reflectie volledig beschikbaar is. Zo kunnen we begrijpen waarom ons lichaam in bepaalde situaties sneller reageert dan ons denken er woorden aan kan geven. Deze netwerken beïnvloeden autonome responsen die onder meer corresponderen met neurofysiologische toestanden van veiligheid of dreiging. Die verwerking verloopt grotendeels buiten het bewustzijn, is sterk lichaam-georiënteerd en gevoelig voor relationele signalen. Vanuit dit neurobiologische inzicht wordt het begrijpelijk waarom wij therapeuten vaak eerst inzetten op regulatie en belichaamde veiligheid: niet omdat taal verdwijnt, maar omdat onder hoge lading vooral het integratieve, reflectieve en mentaliserende vermogen minder toegankelijk wordt.

Om dat te begrijpen is het handig om eerst het onderscheid te zien tussen de cortex en wat daaronder ligt. De cortex, de hersenschors, is de buitenste laag van de hersenen. Die is vooral betrokken bij bewuste functies zoals taal, plannen, redeneren, reflecteren en het vormen van een verhaal over wat je meemaakt. Wanneer je zegt: “Ik snap het, ik zie het, ik kan erover nadenken,” dan is de cortex sterk betrokken.

Onder die cortex liggen allerlei diepere hersenstructuren. Alles wat daaronder ligt noemen we subcorticaal, letterlijk: “onder de cortex”. Die subcorticale gebieden zijn evolutionair ouder en werken meestal sneller en grotendeels buiten het bewustzijn. Ze zijn geëvolueerd om het organisme te beschermen en snel te reageren op signalen die relevant zijn voor overleving en verbinding: dreiging of veiligheid, nabijheid of verlies, honger en pijn en sociale signalen die iets communiceren over aanvaarding of afwijzing. Subcorticaal betekent dus niet “primitief” in de zin van dom of slecht, maar wel “fundamenteel” en “snel”, omdat het bedoeld is om ons te beschermen en te organiseren nog vóór we er woorden aan kunnen geven.

Wanneer we spreken over “circuits” spreken we hier niet over een ‘los’ hersendeeltje, maar over een groep neuronen en hersengebieden die onderling signalen uitwisselen om één grote taak te vervullen. Binnen het kader van de polyvagaaltheorie gaat het vooral om neurale netwerken die grotendeels buiten het bewustzijn om signalen van veiligheid of dreiging verwerken en op basis daarvan autonome toestanden moduleren. Je kunt het zien als een automatische regelkamer: niet één knop, maar een samenhangend systeem van verbindingen dat bepaalt of je lichaam zich opent naar contact of overschakelt op bescherming..

Bij neuroceptie, het begrip dat Porges gebruikt voor onbewuste veiligheidsdetectie, spelen meerdere subcorticale structuren een rol. Een bekend voorbeeld is de amygdala, die helpt inschatten of iets bedreigend of emotioneel relevant is. De hypothalamus speelt mee in de stressreactie en beïnvloedt hormonale processen, zoals de activatie van de HPA-as (de stress-as die cortisol vrijmaakt). Een andere belangrijke regio is de periaqueductale grijze stof (PAG), die betrokken is bij defensieve reacties zoals bevriezen of vechten/vluchten en bij reflexmatige patronen rond pijn, stem en immobilisatie. Nog dieper, in de hersenstam, liggen kernen die rechtstreeks de autonoom-fysiologische toestand reguleren, zoals hartslag, ademhaling en spierspanning. Binnen de polyvagaaltheorie zijn de hersenstamkernen die verband houden met de nervus vagus belangrijk, omdat ze mee bepalen of het systeem eerder in een toestand van sociale betrokkenheid, mobilisatie of shutdown komt.

De polyvagaal-geïnformeerde therapeut weet dat subcorticale circuits vaak sneller werken dan je bewuste denken. Ze kunnen dus al een autonome reactie opstarten, bijvoorbeeld hartkloppingen, gespannen adem, een bevriezing, of juist een gevoel van openheid, nog vóór je “weet” waarom. Dat verklaart een ervaring die veel cliënten herkennen: “Ik wéét dat het veilig is, maar mijn lichaam gelooft het niet (het lichaam blijft nog geactiveerd).” De cortex kan een rationele beoordeling maken, maar het subcorticale systeem kan ondertussen al lang een dreigingsrespons hebben aangezet. En als dat gebeurt, dan wordt het juist moeilijker om helder te denken, omdat het lichaam energie verschuift naar overleving. Daarom werkt geruststelling met woorden soms niet: het is niet dat de cliënt niet wil, maar dat het zenuwstelsel in een toestand zit waarin taal minder bereikbaar is.

In therapie heeft dit grote implicaties. Als je begrijpt dat deze snelle onderlaag van het brein en zenuwstelsel eerst reageert, dan begrijp je ook waarom regulatie vaak voorafgaat aan inzicht. Een polyvagaal-geïnformeerde therapeut probeert dus niet alleen via uitleg te werken, maar via signalen van veiligheid die het subcorticale systeem kunnen bereiken: prosodie in de stem, een rustige timing, voorspelbaarheid, zachte blik, ritme, adem, gronding en co-regulatie. Je zou kunnen zeggen: eerst “kalmeert” de onderlaag, en pas daarna kan de bovenlaag (de cortex) meedoen met reflectie en integratie. Dat is geen hiërarchie van beter of slechter, maar een volgorde die past bij hoe het menselijk systeem gebouwd is.

Gezichtsuitdrukking, prosodische stem, nabijheid, ritme en voorspelbaarheid worden door subcorticale circuits geëvalueerd nog vóór bewuste interpretatie plaatsvindt.

Structuren zoals de amygdala, de periaqueductale grijze stof en de hypothalamus spelen een rol in het detecteren van dreiging. Pas wanneer het ventrale systeem veiligheid registreert, wordt de prefrontale cortex volledig toegankelijk voor reflectie en mentalisatie (Schore, 1994; Siegel, 1999). Dit verklaart waarom redeneren of cognitieve geruststelling vaak ineffectief is in paniek of shutdown: het zenuwstelsel moet eerst reguleren voordat inzicht mogelijk wordt.

Hier vindt een fundamentele verschuiving plaats. Wat traditioneel als “weerstand” of “pathologie” wordt geïnterpreteerd, wordt binnen een polyvagaal perspectief begrepen als bescherming. Freeze, fight en fawn zijn geen karakterfouten, maar evolutionaire overlevingsintelligenties.

Deze herinterpretatie is niet enkel neurobiologisch, maar ook ethisch. Zij vermindert schaamte en herstelt waardigheid.

De nucleus ambiguus

De nucleus ambiguus is een kleine maar functioneel zeer belangrijke kern in de hersenstam, meer bepaald in de medulla oblongata. Hoewel hij anatomisch weinig ruimte inneemt, speelt hij een centrale rol in de regulatie van hartslag, stemgebruik en sociale betrokkenheid. Om te begrijpen waarom deze kern zo belangrijk is binnen een polyvagaal-geïnformeerde benadering, is het nuttig om hem zowel anatomisch als functioneel te bekijken.

Anatomisch gezien is de nucleus ambiguus een groep motorneuronen (zenuwcellen die signalen vanuit het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) naar spieren sturen, zodat die kunnen samentrekken en bewegen. Ze vormen dus de directe schakel tussen het zenuwstelsel en het lichaam in actie). Dat betekent dat hij signalen uitstuurt naar spieren.

Via vezels die onder andere meelopen in de nervus vagus (de tiende hersenzenuw), maar ook in de nervus glossopharyngeus  (9de hersenzenuw die een hersenzenuw die betrokken is bij slikken, smaak aan de achterkant van de tong, speekselproductie en het doorgeven van informatie over bloeddruk en ademhalings-gerelateerde veranderingen in het bloed aan de hersenstam) en delen van de nervus accessorius (11de hersenzenuw die de hoofdoriëntatie en de schouder- en netspieren aansturen), beïnvloedt hij verschillende functies. De polyvagaal geïnformeerd lichaamsgericht (psycho)therapeut kan hierdoor redelijkheid toekennen aan hoofdoriëntatie en nekspanning wat sterk verbonden is met waakzaamheid en veiligheid. Wanneer iemand dus dreiging ervaart, verandert de spierspanning in nek en schouders.

De nucleus ambiguus speelt dus een rol in de regulatie van de hartslag, maar ook in de aansturing van spieren van keel en strottenhoofd, waaronder de stembanden. Daardoor is hij betrokken bij slikken, fonatie (het produceren van stemgeluid) en subtiele regulatie van stemtoon.

Binnen de polyvagaaltheorie van Stephen Porges krijgt de nucleus ambiguus een specifieke betekenis. Volgens Porges is deze kern de oorsprong van de zogenoemde ventrale vagus, het evolutionair jongere, myeliniseerde deel van de nervus vagus. Myelinisatie zorgt ervoor dat zenuwsignalen sneller en verfijnder kunnen worden doorgegeven. Dit maakt snelle, flexibele regulatie van de hartslag mogelijk via wat Porges de “vagale rem” noemt.

De vagale rem zorgt ervoor dat het hart in veilige situaties rustig en flexibel kan functioneren, terwijl het toch snel kan mobiliseren wanneer dat nodig is.

Wat bijzonder is aan dit systeem, is dat het hart niet losstaat van sociale communicatie. Omdat dezelfde hersenstamkern zowel de hartregulatie als de stembanden en bepaalde gezichtsspieren aanstuurt, worden fysiologische rust en sociale betrokkenheid functioneel met elkaar verbonden. Wanneer de ventrale vagus actief is, kan iemand niet alleen een rustige, flexibele hartslag hebben, maar ook een warme, melodische stem (prosodie), open gezichtsuitdrukking en oogcontact. Met andere woorden: De nucleus ambiguus draagt bij aan de lichamelijke regulatie die het mogelijk maakt om in sociale interactie betrokken en afgestemd te blijven.

Om deze ventrale regulatie beter te begrijpen, is het verhelderend haar te vergelijken met de dorsale ((Dorsum (Lat) = rug. . Dorsaal = rugzijde) motorkern van de vagus, een andere oorsprong van vagale vezels in de hersenstam.   De dorsale kern is evolutionair ouder en niet-gemyeliniseerd. Het verschil tussen rustige betrokkenheid en immobilisatie hangt onder andere samen met welk vagale regulatiesysteem op dat moment dominant is, binnen een breder netwerk van hersenstam- en subcorticale processen. De dorsale tak van de nervus vagus  ondersteunt vooral immobilisatiereacties bij extreme dreiging, zoals shutdown of instorting. Wel belangrijk is dat wetenschappers steeds meer benoemen dat een immobilisatie niet exclusief via een dorsale stimulatie van de nervus verloopt, maar in een breder netwerk past (waaronder ook de PAG betrokken is).   

Waar de nucleus ambiguus verbonden is met sociaal engagement en flexibele regulatie, zal de dorsale kern ertoe helpen  bijdragen dat bij extreme dreiging energiereductie en immobilisatie plaats kan vinden. Het verschil tussen rustige betrokkenheid en bevriezing ligt dus mede in welk vagale pad dominant is[1].

Klinisch gezien is dit zeer relevant. Wanneer iemand ventraal gereguleerd is, dus wanneer de nucleus ambiguus actief bijdraagt aan regulatie, zien we doorgaans een flexibele hartslag, een warme stemintonatie, gezichtsuitdrukking die afgestemd is op de ander en een gevoel van veiligheid in contact. Wanneer dit systeem minder toegankelijk is, bijvoorbeeld door trauma of chronische stress, kan iemand sneller naar mobilisatie (sympathische activatie) of naar immobilisatie (dorsale respons) schakelen. In zulke gevallen kan de stem vlak of gespannen klinken, kan oogcontact moeilijker zijn en kan sociale betrokkenheid bedreigend aanvoelen.

Het is belangrijk om hierbij een nuance te maken. In de klassieke neuroanatomie wordt de nucleus ambiguus niet omschreven als een “sociale kern”. Anatomisch is het een motorische kern met cardiale en laryngeale functies. De koppeling tussen hartregulatie en sociaal engagement is een functionele interpretatie binnen het polyvagaalmodel van Porges. Hij integreert anatomische kennis met een evolutionair en gedragsmatig perspectief, waarbij hij laat zien hoe deze hersenstamstructuren samen een systeem vormen dat veiligheid en verbinding mogelijk maakt.

Samengevat kunnen we stellen dat de nucleus ambiguus een kern is in de hersenstam die er onder meer voor zorgt dat je hart rustig kan blijven terwijl je contact maakt met iemand. Hij koppelt fysiologische regulatie aan stem en sociale expressie. Daardoor kunnen we veilig verbonden zijn zonder dat ons lichaam in overlevingsmodus schiet.

In een therapeutische context betekent dit dat stemgebruik, ritme, prosodie en belichaamde aanwezigheid geen bijkomstigheden zijn. Wanneer een therapeut met een warme, afgestemde stem spreekt en zelf gereguleerd aanwezig is, worden via deze hersenstamkernen veiligheidssignalen doorgegeven. Dat is geen poëtische metafoor, maar een neurofysiologische realiteit. De nucleus ambiguus herinnert ons eraan dat verbinding en regulatie in het menselijk organisme diep met elkaar verweven zijn.


De twee vagale paden en de vagale rem

 De nervus vagus, de tiende hersenzenuw, ontspringt in de hersenstam en kent twee functioneel verschillende oorsprongen: de myeliniseerde ventrale vagus vanuit de nucleus ambiguus en de niet-gemyeliniseerde dorsale vagus vanuit de dorsale motorkern.

 De ventrale vagus, evolutionair jonger en specifiek voor zoogdieren, ondersteunt sociaal engagement. Dankzij myelinisatie kan zij snel en verfijnd de hartslag moduleren via wat Porges de vagale brake noemt: een tonische rem op de sinoatriale knoop van het hart.

Wanneer veiligheid wordt ervaren, is deze rem actief en kan het hart flexibel vertragen en versnellen. Deze flexibiliteit wordt weerspiegeld in hartslagvariabiliteit (HRV), een marker voor regulatiecapaciteit (Porges, 2007).

 Wanneer dreiging wordt gedetecteerd, wordt de vagale rem losgelaten en mobiliseert het sympathische systeem. Bij extreme overweldiging zal onder meer het dorsale systeem immobilisatie activeren.

Belangrijk is dat dorsale immobilisatie kwalitatief verschilt van ventrale rust. Shutdown is geen diepe meditatie, maar een energie-ineenstorting als laatste beschermingsmechanisme.

De polyvagaal-geïnformeerde therapeut begrijpt deze fysiologische nuances en vertaalt ze naar klinische gevoeligheid.

 

De therapeut als co-regulerend organisme

Affectregulatie ontwikkelt zich relationeel. Infant research toont hoe dyadische afstemming tussen verzorger en kind de basis vormt voor latere zelfregulatie (Stern, 1985; Beebe & Lachmann, 2002). Allan Schore (1994) beschrijft hoe rechterhersenhelft-tot-rechterhersenhelft communicatie via gezichtsuitdrukking, prosodie en ritme cruciaal is voor emotionele ontwikkeling.

De polyvagaal-geïnformeerde therapeut is daarom geen neutrale observator, maar een fysiologisch betrokken medespeler. Zijn of haar zenuwstelsel participeert in het regulatief veld van de cliënt. Stemintonatie, micro-timing, ademritme, houding en blik beïnvloeden de neuroceptie van veiligheid.

Veiligheid is hier een relationele verantwoordelijkheid. ‘Mijn aanwezigheid kan kalmeren of activeren. Mijn tempo kan openen of sluiten’. Therapie wordt zo een ontmoeting tussen twee zenuwstelsels waarin nieuwe regulatiepatronen mogelijk worden.

 

Denken in ook toestanden, en niet enkel in stoornissen

Binnen dit kader verschuift het klinische perspectief niet van psychopathologie naar louter regulatie, maar wordt diagnostiek verrijkt met een autonoom zenuwstelselperspectief. Depressieve toestanden kunnen gepaard gaan met dorsale immobilisatie; paniekstoornissen met sympathische hyperactivatie; en fawning-gedrag met angstgedreven mobilisatie waarin sociale vaardigheden defensief worden ingezet.

De polyvagaal-geïnformeerde therapeut vervangt psychopathologische classificatie dus niet, maar voegt een regulatiekader toe dat helpt begrijpen hoe autonome toestanden gedrag en ervaring kleuren. 

Het klinische kompas verschuift van uitsluitend “Wat is er mis?” naar ook “Wat probeert dit zenuwstelsel te beschermen?”

In die verschuiving ligt een ethische dimensie: gedrag wordt niet gereduceerd tot defect, maar erkend als poging tot regulatie binnen een bepaalde autonome toestand.

 

De ethiek van traagheid en verbinding

Het autonome zenuwstelsel reguleert via ritme. In een cultuur die snelheid waardeert, is vertragen een klinische keuze. Verbinding gaat vooraf aan verandering; regulatie gaat vooraf aan integratie; inzicht volgt veiligheid.

Een polyvagaal-geïnformeerde therapeut respecteert oscillatie tussen activering en herstel, tussen contact en terugtrekking. 

Oscillatie is het heen-en weer bewegen tussen twee fysiologische of emotionele toestanden: van activatie naar rust, mobilisatie naar herstel, contact naar terugtrekking. 

Het proces waarbij een kind valt, huilt, getroost wordt en daarna opnieuw speelt is een klassiek voorbeeld van gezonde autonome oscillatie tussen activatie en herstel. In dit voorbeeld zouden we van een ongezonde oscillatie spreken wanneer het kind langdurig ontroostbaar blijft (in de activatie blijft hangen) of bevriest en dissocieert (dorsale shutdown) of daarna niet meer durft te spelen (neuroceptie blijft dreiging detecteren).

Niet permanent ventraal zijn is het doel, maar flexibel kunnen schakelen en terugkeren. “Het is natuurlijk om in en uit regulatie te bewegen.”. Deze uitspraak normaliseert menselijke dynamiek en ondersteunt veerkracht.

 

Trauma, valse neuroceptie en bottom-up herstel

Bij trauma ervaart het zenuwstelsel een situatie als overweldigend of levensbedreigend. Op dat moment schakelt het lichaam over op een overlevingsmodus: vechten, vluchten of bevriezen. Dat is op zichzelf gezond. Het probleem ontstaat wanneer de situatie te intens was of te langdurig of wanneer er geen veilige afronding of regulatie volgde. Dan ‘leert’ het zenuwstelsel “De wereld is gevaarlijk. Ik moet paraat blijven”. Die leerervaring wordt diep opgeslagen, niet alleen als herinnering, maar als regulatiepatroon. Het systeem blijft dus sneller en langer geactiveerd, ook wanneer het gevaar voorbij is.

Als we een neurobiologische bril opzetten, kunnen we deze toestand begrijpen als een dynamisch leer- en regulatieproces waarin verschillende systemen betrokken zijn.

Bij trauma kan de amygdala gesensitiseerd raken: zij reageert sneller en sterker op signalen die lijken op eerdere dreiging. Deze verhoogde reactiviteit wordt vaak aangeduid als amygdala-sensitisatie. Tegelijk kan chronische stress de regulerende invloed van de prefrontale cortex verminderen. Dat betekent dat de top-down modulatie van dreigingscircuits minder effectief wordt en dat contextuele herinterpretatie van prikkels bemoeilijkt raakt. Het vermogen om een automatische dreigingsreactie te relativeren of te nuanceren neemt daardoor af (belangrijk voor de psychotherapeut). Het gevolg is dat het systeem sneller in een staat van paraatheid terechtkomt en minder flexibel terugkeert naar rust.

Ook de HPA-as (hypothalamus–hypofyse–bijnier-as), die betrokken is bij de productie en regulatie van cortisol, kan ontregeld raken. Cortisol heeft onder meer een mobiliserende én beschermende functie. Bij langdurige stress kan de regulatie van deze stress-as verstoord worden, wat kan leiden tot aanhoudende hyperarousal of in andere gevallen, juist tot hypoarousal of collaps. In beide situaties neemt de regulatieflexibiliteit af.

Omdat het zenuwstelsel een lerend systeem is, versterken herhaalde dreigings-ervaringen (deze) patronen. Wanneer activatie niet kan afronden in een ervaring van veiligheid, wordt “aan blijven staan” geleidelijk de nieuwe norm. Vanuit evolutionair perspectief is dat geen fout, maar een strategie: het is veiliger om te vaak alarm te slaan dan één keer te weinig. Chronische activatie is in een gevaarlijke omgeving adaptief. Het probleem ontstaat wanneer de omgeving verandert, maar het systeem niet automatisch herkalibreert.

Bij trauma kan het defensiesysteem daardoor chronisch actief blijven. Het zenuwstelsel heeft eerdere dreigingservaringen impliciet opgeslagen als patronen van respons. Wanneer in het heden signalen verschijnen die lijken op die eerdere ervaringen, bijvoorbeeld een bepaalde stemtoon, nabijheid, geur, blik of plotselinge beweging, kan het snelle patroonherkenningssysteem een autonome respons initiëren nog vóór bewuste reflectie plaatsvindt.

In zulke gevallen spreken we van een onvoldoende afgestemde of misgekalibreerde neuroceptie: het systeem detecteert gevaar op basis van oude leerervaringen, ook wanneer de actuele context veilig is. De reactie is dus niet irrationeel, maar geworteld in impliciet geheugen. Omdat deze activatie zich grotendeels op subcorticaal en autonoom niveau afspeelt, is zij minder direct toegankelijk voor taal en inzicht. Cognitieve interventies bereiken het systeem dan niet onmiddellijk en eerst moet regulatie op fysiologisch niveau worden hersteld.

Vanuit neuropsychologisch perspectief kunnen we dit begrijpen als impliciet geheugen: ervaringen worden niet alleen als verhaal opgeslagen, maar ook als lichaamstoestand, actie-neiging en autonome respons (LeDoux, 1996). Tegelijk toont onderzoek naar geheugenreconsolidatie dat herinneringen niet statisch zijn: wanneer een oud patroon geactiveerd wordt in een nieuwe, veilige context, kan het geheugen als het ware “opnieuw opgeslagen” worden met nieuwe informatie (Lane, 2015). Dat gebeurt niet door uitleg alleen, maar door een ervaarbaar verschil: het lichaam moet in het moment zélf veiligheid, keuze en regulatie ervaren.

Herstel vraagt (daarom) benaderingen die het lichaam rechtstreeks aanspreken. 

Bottom-up interventies zoals verlengde uitademing, gronding, ritmische beweging, zelfaanraking, zachte klanken en relationele afstemming beïnvloeden het autonome zenuwstelsel direct. Ze kunnen de fysiologische toestand verschuiven van activatie naar meer regulatie en veiligheid. In die zin ondersteunen zij wat we state-regulatie noemen: het vermogen om in het hier-en-nu de actuele autonome toestand te moduleren.

State-regulatie is essentieel, creëert ruimte en herstelt tijdelijk toegang tot reflectie, relatie en keuze. 

Zonder voldoende regulatie is geen therapeutisch proces mogelijk. Toch betekent een verschuiving in toestand niet automatisch dat het onderliggende dreigingspatroon duurzaam is veranderd.

Voor een meer blijvende herkalibratie is herhaling nodig. Het zenuwstelsel is een lerend systeem. Wanneer activatie herhaaldelijk kan plaatsvinden in een context waarin veiligheid, co-regulatie en afronding mogelijk zijn, ontstaat geleidelijk wat we trait change kunnen noemen: een meer stabiele verschuiving in basale regulatiepatronen. Oude impliciete verwachtingen (“de wereld is gevaarlijk”) kunnen dan worden bijgewerkt door nieuwe ervaringsdata (“activatie kan eindigen in veiligheid”). Dit proces vraagt tijd, consistentie, relationele bedding en onderbouwde kennis die ons de mogelijkheid geeft het helingsproces in een ontwikkelingsdynamisch perspectief te plaatsen (Calsius, 2026). Het inzetten van kennis en belichaamde ervaring typeert het lichaamsgericht psychotherapeutisch werken.

Bottom-up interventies zijn dus geen louter tijdelijke oplossingen, maar vormen de ingang tot diepere verandering. Zij openen het venster waarin nieuwe ervaringen van veiligheid kunnen worden opgeslagen. Wanneer zulke ervaringen voldoende vaak worden herhaald en geïntegreerd, verschuift regulatie van een momentane toestand naar een duurzamere eigenschap. Regulatie wordt dan niet enkel begrepen, maar daadwerkelijk belichaamd.

Voor therapeuten in opleiding is dit onderscheid belangrijk. Het voorkomt zowel overschatting (“de oefening werkte, dus het trauma is opgelost”) als onderschatting (“het werkte maar tijdelijk, dus het helpt niet”). 

State-regulatie en trait change zijn geen tegenpolen, maar twee lagen van hetzelfde leerproces. De eerste maakt de tweede mogelijk.


 

Macht, grenzen en systemische veiligheid

Veiligheid is altijd contextueel. Structurele onveiligheid, door sociale, culturele of historische factoren, vormt het zenuwstelsel. De polyvagaal-geïnformeerde therapeut erkent deze realiteit en vermijdt individualisering van systemische stress. M.a.w. niet alles wat iemand ervaart als angst, spanning of uitputting is een intern defect of een intrapsychisch conflict. Soms is het een begrijpelijke reactie op reële externe omstandigheden, of op historisch en cultureel gevormde patronen van onveiligheid waaraan mensen en gemeenschappen zich langdurig hebben moeten aanpassen.

In concreto kunnen we, als voorbeeld, stellen dat in Vlaanderen de historische religieuze disciplinering, een sterk arbeidsethos, intergenerationele oorlogservaringen en hedendaagse sociale spanningen mede bepalen hoe veiligheid en dreiging cultureel worden ervaren. Wat zich in het individu toont als angst, overaanpassing of uitputting, kan dus ook geworteld zijn in bredere historische en maatschappelijke patronen. 

Met andere woorden: ook cultuur beïnvloedt welke gedragingen en lichaamsuitdrukkingen als ‘gepast’ en ‘veilig’ worden gelezen. 

Wat in Vlaanderen als normale zelfbeheersing of bescheidenheid geldt, kan elders als afstandelijk of vreemd worden geïnterpreteerd en omgekeerd. Wanneer we deze context verder willen uitwerken, betreden we een sociologisch en antropologisch terrein, waar het zenuwstelsel in wisselwerking staat met geschiedenis, cultuur en religie. Die invalshoek werken we in dit artikel niet verder uit.

Belangrijk, na deze kleine zijsprong te hebben gemaakt, is dat veiligheid duidelijke grenzen eist. Heldere kaders verminderen ambiguïteit en verhogen voorspelbaarheid. Warmte en duidelijkheid vormen samen een veilige bedding.

 

Stress, eustress en veerkracht

Stress is een activeringsmechanisme dat adaptatie mogelijk maakt en is dus per definitie niet schadelijk noch voedend. Het is een deel van de menselijke realiteit, al sinds -spreekwoordelijk- Adam en Eva.  Het onderscheid ligt tussen distress (activatie + onveiligheid) en eustress (activatie + veiligheid en betekenis). Ventraal-sympathische co-activatie verklaart flow en creativiteit. Veerkracht, alsook regulatie, betekent niet rust zonder beweging, maar veilige mobilisatie in bewuste verbinding met jezelf, de ander en de context.

 

Neurobiologie en belichaamde spiritualiteit

Hoewel deze titel een artikel op zichzelf verdient, geef ik hier alvast een eerste aanzet. Herstel drukt zich uit in meerdere domeinen van het menselijk bestaan - lichamelijk, relationeel, emotioneel, betekenisgevend - en die domeinen kunnen elkaar wederzijds versterken. Wanneer we spiritualiteit benaderen als één van die domeinen, zien we dat een groeiende wetenschappelijke literatuur de effecten van spirituele praktijken verbindt met processen van stressregulatie, verbondenheid en neurobiologische veerkracht.

Als spiritualiteit verwijst naar belichaamde verbinding met het mysterieuze, het goddelijke, met een geliefde, met gemeenschap of met natuur, dan spelen vergelijkbare regulatiemechanismen een rol.

Praktijken die veiligheid, aandacht en afstemming bevorderen (zoals ritueel, meditatie, gebed, zang, ademwerk of contemplatie) kunnen de autonome toestand moduleren en zo ruimte scheppen voor sociale openheid en herstel. Vanuit polyvagaal perspectief is het daarbij betekenisvol dat signalen van veiligheid vaak via het social engagement system verlopen: warme prosodie, ritme, gelaatsuitdrukking, oogcontact en co-regulatie dragen rechtstreeks bij aan ventrale vagale activatie en een gevoel van ‘veilig verbonden zijn’.

Op neurochemisch niveau zijn hierbij meerdere systemen betrokken: oxytocine wordt geassocieerd met hechting, vertrouwen en sociale nabijheid; serotonerge systemen moduleren stemming en stressgevoeligheid; en dopaminerge systemen zijn betrokken bij motivatie, betekenisverlening en doelgerichte actie. Deze processen laten zich niet herleiden tot één stof of één oorzaak, maar ze corresponderen vaak met ervaringskwaliteiten die in spirituele contexten worden beschreven als gevoelens van compassie, vreugde, ontroering, verbondenheid en betekenisvolle betrokkenheid.  

Porges beschrijft contemplatieve praktijken in die zin als “neural exercises” die via adem, vocalisatie en houding vagale regulatie kunnen ondersteunen en zo een fysiologische toestand van veiligheid faciliteren wat hij als een noodzakelijke, maar niet als enige voorwaarde, beschouwd voor compassie en sociale openheid (Porges, 2017).

Tegelijk is het belangrijk om dit zorgvuldig te formuleren: de wetenschap toont vooral verbanden en plausibele werkingsmechanismen, maar niet altijd een directe één-op-één causaliteit tussen een specifieke praktijk en één specifiek neurobiologisch effect.

 

De positionering binnen AgapeAcademy

Binnen AgapeAcademy wordt de polyvagaaltheorie geïntegreerd als fundament voor lichaamsgerichte psychotherapie. De opleiding verbindt neurobiologische precisie, belichaamde ervaring, existentiële bedding én professionele integratie. Studenten leren niet enkel het model te begrijpen, maar ook hun eigen zenuwstelsel reguleren en inzetten als instrument.

Binnen een polyvagaal geïnformeerde benadering leren we het belang van regulatie kennen. Het vermogen om autonome toestanden te moduleren, van mobilisatie naar veiligheid, van shutdown naar betrokkenheid, vormt vaak een noodzakelijke basis voor therapie. Zonder voldoende state-regulatie wordt het moeilijk om toegang te krijgen tot reflectie, mentalisatie, leerbaarheid en relationele openheid.

Toch is regulatie niet hetzelfde als integratie. Regulatie verwijst in de eerste plaats naar de modulatie van de fysiologische toestand in het hier-en-nu: het zenuwstelsel verschuift naar meer draaglijkheid, waardoor er ruimte ontstaat. Integratie gaat een stap verder en verwijst naar een duurzamere verankering van ervaringen in het zelfgevoel, het narratief en het relationele patroon. 

Waar regulatie vooral een toestand verschuift, impliceert integratie een reorganisatie van betekenissystemen, verwachtingspatronen en identiteitsstructuur. 

Iemand kan dus leren zichzelf te kalmeren zonder dat onderliggende overtuigingen, hechtingsmodellen of existentiële betekenissen wezenlijk veranderd zijn. Trait change vraagt daarom meer dan autonome modulatie. Het vraagt verdiepende exploratie van het verhaal dat iemand over zichzelf draagt, het samen licht laten vallen op impliciete, onbewuste complexiteiten, een methodische belichaamde benadering, en herhaalde ervaringen waarin regulatie, relatie en betekenis samenkomen.

Dit wordt nog duidelijker wanneer we polyvagaal denken verbinden met hechtingspsychologie. De polyvagaaltheorie beschrijft hoe autonome toestanden sociale betrokkenheid kunnen ondersteunen of verhinderen. Hechtingstheorie beschrijft hoe vroege relationele ervaringen interne werkmodellen vormen die verwachtingen over zichzelf en de ander structureren. Beide perspectieven raken elkaar al zeker in het concept van co-regulatie. Vroege hechtingservaringen beïnvloeden immers de ontwikkeling van autonome regulatie: veilige afstemming ondersteunt ventrale flexibiliteit, terwijl chronische onveiligheid kan bijdragen aan sympathische hyperactivatie of dorsale terugtrekking. Tegelijk omvat hechting meer dan autonome toestand alleen. Ze gaat ook over zelfrepresentaties (“ben ik waardevol?”), ander-representaties (“is de ander beschikbaar?”), affectregulatiestrategieën en narratieve identiteit. Die dimensies hebben een neurofysiologische basis, maar kunnen niet volledig worden herleid tot vagale hiërarchie. 

De polyvagaal geïnformeerde therapeut is geen vervanging van hechtingsgericht werken, maar een verrijking ervan.

Wanneer we bovendien Ken Wilbers integrale perspectief meenemen, wordt het risico van reductie zichtbaar. Een cliënt uitsluitend benaderen vanuit het objectief meetbare, neurobiologische domein, wat Wilber het rechterbovenkwadrant noemt, kan de ontwikkeling in andere dimensies onbedoeld beperken. Menselijke groei voltrekt zich immers langs meerdere lijnen tegelijk: cognitieve ontwikkeling (denken, perspectiefname, reflectievermogen), morele ontwikkeling (waarden, verantwoordelijkheid, empathie), emotionele ontwikkeling (affectdifferentiatie, mentalisatie) en existentiële of spirituele ontwikkeling (betekenisgeving, verbondenheid, transcendentie). Neurobiologie kan voorwaarden scheppen voor deze ontwikkeling, maar verklaart haar niet volledig. Iemand kan fysiologisch gereguleerd zijn en toch moreel of relationeel beperkt blijven; iemand kan cognitief zeer ontwikkeld zijn en emotioneel vermijdend. 

Ontwikkeling is meerlagig en therapie vraagt dus een kader dat die gelaagdheid respecteert.

De polyvagaaltheorie verfijnt ons begrip van veiligheid en regulatie en helpt ons begrijpen waarom iemand in een bepaalde toestand vastloopt en hoe we fysiologisch toegang kunnen creëren tot meer flexibiliteit. Maar veiligheid is een fundament, geen eindpunt.

Neurobiologie werkt als wind in de zeilen van o.a. de lichaamsgerichte psychotherapie: zij ondersteunt ons werk, maar vervangt het niet. Duurzame verandering vraagt dat regulatie ingebed wordt in relationele herstructurering, betekenisreconstructie, emotionele integratie en ontwikkelingsgerichte interventies. 

Als we uitsluitend op state-niveau blijven werken, riskeren we tijdelijke stabilisatie zonder structurele verankering. Wanneer regulatie echter gedragen wordt door herhaalde, geïntegreerde ervaringen in relatie en context, kan trait change ontstaan. 

Nieuwe geheugensporen, nieuwe verwachtingspatronen en een dieper verankerde ervaring van zichzelf en de ander, installeren zich dan geleidelijk.

 In dat licht is de polyvagaal geïnformeerde therapeut geen aparte discipline, maar een dimensie binnen het bredere vakmanschap van de lichaamsgericht psychotherapeut. Belangrijk is dus de polyvagaaltheorie in haar context te blijven zien, als een verfijnde lens op veiligheid en niet als een allesomvattend verklaringsmodel van menselijke groei.

 

Conclusie

De polyvagaal-geïnformeerde lichaamsgerichte (psycho)therapeut belichaamt een brug tussen psychopathologie en een autonome toestand, tussen de interventie en relationele aanwezigheid, tussen snelheid en ritme, tussen individualisering en de relationele bedding, en tussen cognitieve veiligheid en belichaamde veiligheid.

Veiligheid is geen techniek. Zij is het gevolg van een bijzondere biologisch gefundeerde interactie tussen context en individu. Veiligheid is dus een neurobiologische realiteit én een ethische verantwoordelijkheid.

Wanneer twee zenuwstelsels elkaar ontmoeten in voldoende veiligheid, wordt integratie mogelijk. En in die ontmoeting wordt therapie een ervaring van herstel. Herstel, niet alleen van symptomen, maar van verbondenheid.

 Niek Ghekiere, 2026.


Over de auteur

Niek Ghekiere (1976) behaalde een Master in Dance Movement Therapy en is gecertificeerd lichaamsgericht psychotherapeut. Na zijn werk als groepstherapeut binnen de verslavingszorg werd hij coördinator van de opleiding Dans- en Bewegingstherapie, binnen wat vandaag de Agape Academy heet. Hij specialiseerde zich in neurobiologie, groepsdynamisch werken, Authentic Movement en bio-energetica/TRE.

Van 2008 tot 2015 was Niek Ghekiere voorzitter van de BVCT-ABAT. In die periode verrichtte hij eveneens wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van Authentic Movement op stress-, angst- en depressieve klachten.

Sinds 2010 draagt hij de eindverantwoordelijkheid voor het management van de Agape Academy. Hij werkt samen met een gespecialiseerd trainersteam van psychologen en fysiotherapeuten dat de opleiding Geïntegreerd Lichaamsgericht Werken in Psychotherapie inhoudelijk en vormelijk mee ontwikkelt en aanbiedt.

Daarnaast superviseert hij collega’s die lichaamsgericht werken integreren binnen hun therapeutische praktijk.

De Agape Academy is een opleidingsinstituut dat lichaamsgericht psychotherapeutisch werken aanbiedt binnen verschillende gespecialiseerde opleidingstrajecten. Naast de opleiding Geïntegreerd Lichaamsgericht Werken in Psychotherapie (GLW) vormen vanaf 2027 ook de groepsdynamische specialisatieopleiding Connected Leading en de specialisatieopleiding Authentic Movement in Depth de kernopleidingen van de Agape Academy.


Kernliteratuur  

Beebe, B., & Lachmann, F. (2002). Infant research and adult treatment. Analytic Press.

Calsius, J. (2014). Werken met een lichaam dat moeilijk doet. Acco.

Grossman, P. et al. (2026). Why the polyvagal theory is untenable. Clinical Neuropsychiatry (2026) 23, 1, 100-112.

LeDoux, J. E. (1996). The emotional brain.  Simon & Schuster.

Porges, S. W. (2011). The polyvagal theory. Norton.

Porges, S. W. (2017). Vagal pathways: Portals to compassion. Oxford University Press.

Porges, S.W. (2026). When a critique becomes untenable: a scholarly response to Grossman et al.’s evaluation of polyvagal theory. Clinical Neuropsychiatry (2026) 23, 1, 113-128.

Schore, A. N. (1994). Affect regulation and the origin of the self. Erlbaum.

Siegel, D. J. (1999). The developing mind. Guilford Press.

Stern, D. N. (1985). The interpersonal world of the infant. Basic Books.

Lane, R. D., Ryan, L., Nadel, L., & Greenberg, L. (2015). Memory reconsolidation, emotional arousal, and the process of change in psychotherapy: New insights from brain science. Behavioral and Brain Sciences, 38, e1.

Wilber, K. (2000). A theory of everything: An integral vision for business, politics, science, and spirituality. Shambhala Publications.

 

 [1] Opgelet: In de actuele wetenschappelijke literatuur bestaat er discussie over hoe sterk de dorsale vagus betrokken is bij menselijke shutdown, en of immobilisatie uitsluitend vagal is of ook andere hersenstamcircuits (zoals PAG) omvat (Lanius et al. (2010) en andere)

 

Wanneer verbondenheid niet volstaat
veiligheid en dosering in ervaringsgericht groepswerk