Wanneer verbondenheid niet volstaat: veiligheid en dosering in ervaringsgericht groepswerk
Niek Ghekiere, 2026
Sinds de COVID-19-pandemie is er een duidelijke toename zichtbaar in zowel psychische belasting als in de vraag naar therapeutische en ervaringsgerichte ondersteuning. De pandemie fungeerde voor velen als een collectieve stressor, gekenmerkt door verlies, onzekerheid, sociale isolatie en existentiële dreiging. Onderzoek toont aan dat deze omstandigheden gepaard gingen met een significante stijging in klachten zoals angst, depressie en posttraumatische stress (Vindegaard & Benros, 2020; Xiong et al., 2020). In bepaalde groepen werd zelfs gerapporteerd dat tot ongeveer 30% van de mensen traumagerelateerde symptomen ontwikkelde na een ernstige COVID-infectie (Matalon et al., 2021). Tegelijkertijd is er een toename zichtbaar in hulpzoekgedrag en interesse in therapie, met name in online en laagdrempelige vormen van begeleiding (Pierce et al., 2020).
De pandemie versnelde bovendien de normalisering van digitale therapie en groepswerk, waardoor ervaringsgerichte methodieken via het internet een veel groter bereik kregen (Wind et al., 2020). Deze combinatie van verhoogde nood en verhoogde toegankelijkheid heeft geleid tot een bredere instroom in het open aanbod van diverse therapeutische en ervaringsgerichte werkvormen.
Binnen dit landschap zien we een groeiend aanbod rond uiteenlopende, fundamenteel menselijke thema’s zoals trauma, verbinding, intimiteit, seksualiteit, spiritualiteit en zelfontwikkeling. Deze thema’s raken aan existentiële en vaak kwetsbare lagen van de menselijke ervaring, en worden aangeboden via uiteenlopende methodieken - gaande van lichaamsgericht werk en opstellingen tot ademwerk, ritueel en andere ervaringsgerichte praktijken.
Hoewel deze werkvormen diep transformerend kunnen zijn en waardevolle ingangen bieden tot inzicht en belichaamde ervaring, schuilt er een wezenlijk risico wanneer zij worden aangeboden zonder voldoende afstemming op de psychische en lichamelijke kwetsbaarheid van deelnemers. Daarbij gaat het nadrukkelijk niet alleen om trauma, maar ook om andere factoren zoals ego-sterkte, psychotische kwetsbaarheid, verslavingsgevoeligheid of een tijdelijk beperkte draagkracht.
De veronderstelling dat dergelijke methodieken in een open setting voor iedereen toegankelijk en veilig zijn, is dan ook misleidend. Ervaringsgericht therapeutisch werk grijpt vaak direct in op het zenuwstelsel en kan diepe lagen activeren, zonder dat er noodzakelijk voldoende capaciteit is om deze ervaringen te reguleren of integreren.
Zonder een grondige kennismaking - met expliciete aandacht voor achtergrond, draagkracht, doelstellingen en duidelijke exclusiecriteria - wordt de instap in dit soort werk een onvoorspelbare onderneming. In die omstandigheden werkt de begeleiding niet alleen met beperkte informatie, maar neemt zij impliciet risico’s die vooraf onvoldoende zichtbaar of gedragen zijn.
Dit artikel verkent, aan de hand van praktijkervaring, enkele cruciale voorwaarden voor veilig en professioneel werken met trauma in groep.
De setting begint vóór de groep start
Een veilige groepscontext ontstaat niet in de eerste sessie, maar in de voorbereiding. Intake en een uitgebreide anamnese vormen daarin een essentieel fundament. Zonder deze stap bestaat het risico dat een groep zich “toevallig” samenstelt uit deelnemers met een zware traumageschiedenis. Dat is geen neutrale samenstelling, maar een verhoogd risicoveld dat vooraf doordacht moet worden.
Een minimale professionele standaard omvat een zorgvuldige intake, waarin niet alleen een globale inschatting wordt gemaakt van traumageschiedenis, stabiliteit en regulatievermogen, maar ook van bredere levensdomeinen die de draagkracht van een deelnemer beïnvloeden. Hierbij kan gedacht worden aan psychisch en lichamelijk functioneren, relationele context, middelengebruik, eerdere ervaring met therapeutisch of lichaamsgericht werk, en de huidige levensomstandigheden.
Het betrekken van informatie over eerdere diagnoses, dissociatieve klachten of psychosegevoeligheid maakt hier integraal deel van uit. Eveneens zijn vragen naar stresshantering, slaapkwaliteit, energiebalans en somatische signalen essentieel om een goed beeld te krijgen van de actuele belastbaarheid.
Hoewel een intake in de praktijk zeer uitgebreid kan zijn, ligt de kern in het zorgvuldig in kaart brengen van die factoren die bepalend zijn voor een veilige afstemming tussen deelnemer en aanbod. Deze bredere context vormt een noodzakelijke basis om realistisch in te schatten in welke mate iemand baat kan hebben bij intensief ervaringsgericht werk en of de deelnemer over voldoende draagkracht beschikt om de intensiteit te kunnen dragen en integreren.
Draagkracht is nooit een geïsoleerde eigenschap, maar ontstaat in relatie tot iemands volledige levenscontext.
Containment vraagt structuur: groepsgrootte en begeleiding
Werken met trauma in groep betekent werken met een veld van onderling beïnvloedende zenuwstelsels. Co-regulatie speelt hierin een centrale rol (Porges, 2011). Een te grote groep met enkel 1 therapeut creëert een situatie waarin de begeleider onmogelijk alle signalen kan opvangen of adequaat kan interveniëren.
Richtlijnen die in de praktijk houvast bieden, vertrekken vanuit de nood om veiligheid en zorg voor de deelnemer centraal te stellen. In ervarings- en ontwikkelingsgericht werk betekent dit dat er ruimte moet zijn voor de natuurlijke, instinctieve reacties van deelnemers, zoals het zoeken naar afstand of het verlaten van de ruimte bij overprikkeling.
Hoe zorgvuldig afspraken bij aanvang ook worden gemaakt, als begeleider dien je deze reacties te kunnen opvangen, valideren en begeleiden. Dit vraagt om een setting die voldoende flexibel en gedragen is om met dergelijke momenten om te gaan.
Het werken met assistenten of co-therapeuten is daarom vaak geen luxe, maar een noodzakelijke voorwaarde om veiligheid te waarborgen. Wanneer een deelnemer de ruimte verlaat in een toestand van ontregeling, kan een therapeut die alleen werkt voor een moeilijke keuze komen te staan: de groep verlaten of de deelnemer zonder ondersteuning laten gaan. Beide opties brengen risico’s met zich mee, niet alleen voor de betrokken persoon, maar ook voor de rest van de groep, waar gevoelens van onveiligheid of spanning kunnen ontstaan.
Ervaringsgericht werken vraagt om een voldoende gedragen bedding van begeleiders. In de literatuur worden geen eenduidige richtlijnen gevonden voor groepsgrootte binnen intens ervaringsgericht (trauma-)werk. In de praktijk ontwikkelen organisaties daarom vaak eigen, praktijk-gebaseerde richtlijnen.
Zo wordt binnen sommige organisaties gewerkt met een gefaseerde opbouw van het begeleidingsteam voor therapiegroepen, afgestemd op groepsgrootte en intensiteit. In kleinere groepen (max. 6 deelnemers) wordt de facilitator doorgaans ondersteund door één assistent of co-therapeut. Bij groepen tot tien deelnemers wordt dit uitgebreid naar twee assistenten. Vanaf elf tot achttien deelnemers wordt gewerkt met minimaal drie assistenten. In grotere groepen wordt deze ondersteuning verder opgeschaald, waarbij een verhouding van ongeveer één begeleider per vijf deelnemers als richtinggevend kan worden beschouwd.
Deze omkadering wijst aan dat niet alleen de groepsgrootte op zich bepalend is voor veiligheid, maar ook de mate waarin individuele processen binnen die groep adequaat gedragen kunnen worden.
Het werken met een team in een ervaringsgericht aanbod, is zorgvuldig en zorgzaam. Dit maakt het mogelijk om signalen van ontregeling tijdig op te merken en deelnemers individueel op te vangen wanneer nodig. Assistenten of co-therapeuten dragen actief bij aan co-regulatie, individuele opvang en het bewaken van veiligheid
Dit sluit aan bij inzichten uit groepspsychotherapie, waar het vermogen tot containment en het dragen van groepsprocessen als cruciaal wordt beschouwd (Yalom & Leszcz, 2005).
Wanneer instemming misleidt: groepsdynamiek onder activatie
Begeleid worden in ervaringen die gericht zijn op inzicht en emotionele ontlading wordt vaak als motiverend en betekenisvol ervaren. Dergelijke ervaringen kunnen bovendien binnen een groep een versterkend effect hebben, waarbij emotionele en fysiologische resonantie tussen deelnemers ontstaat (Hatfield et al., 1994; Yalom & Leszcz, 2005). Deze dynamiek kan bijdragen aan betrokkenheid en verdieping, maar kan ook samengaan met een verhoogde neiging tot intensivering van het proces. Binnen de traumatheorie wordt dit onder meer beschreven als een mogelijke herhalingsdynamiek, waarbij activatie onbewust wordt opgezocht in een poging tot verwerking (Van der Kolk, 2014; Herman, 1992).
Tegelijkertijd is het aanbieden van een opeenvolging van intensieve belichaamde ervaringsgerichte interventies niet zonder risico voor de mentale en fysieke belasting van deelnemers. In het bijzonder bij personen met onverwerkte trauma’s is bekend dat overprikkeling een centrale rol kan spelen in het oorspronkelijke overlevingsmechanisme, bijvoorbeeld in de vorm van hyperarousal of dissociatieve reacties (Siegel, 1999; Ogden et al., 2006). Het opnieuw ervaren van activatie binnen een ogenschijnlijk veilige context kan als betekenisvol of zelfs louterend worden ervaren, maar vormt op zichzelf geen garantie voor integratie of herstel.
Onderzoek en klinische inzichten
benadrukken dat traumaverwerking niet uitsluitend voortkomt uit het activeren
van spanning, maar uit een zorgvuldig gedoseerde afwisseling tussen activatie
en regulatie (Levine, 1997; Fisher, 2017). Zonder deze afstemming bestaat het
risico dat ervaringen zich opstapelen zonder voldoende integratie, wat kan
leiden tot verdere ontregeling.
Hoe sterker de groep wil doorgaan, hoe groter de kans dat de grens al overschreden is.
Wanneer het groepsproces intensifieert, kunnen bovendien dynamieken ontstaan waarbij het vermogen tot individuele zelfwaarneming tijdelijk vermindert. Dit kan zich uiten in verlies van individuele afstemming, een verhoogde mate van groepscohesie of versmelting, en een grotere bereidheid om het proces verder te intensiveren (Yalom & Leszcz, 2005). Deze dynamieken kunnen begrepen worden als vormen van groepsregressie, waarbij ook processen van versmelting (fusion) en affectieve besmetting (emotional contagion) kunnen optreden. In dergelijke omstandigheden kan ook een impliciete overdracht van verantwoordelijkheid naar de begeleider ontstaan.
Vanuit traumaperspectief is het relevant dat het vermogen tot interoceptie en zelfregulatie bij sommige deelnemers verminderd kan zijn, waardoor het inschatten van eigen grenzen minder betrouwbaar wordt (Van der Kolk, 2014; Ogden et al., 2006). Dit impliceert dat groepsinstemming niet steeds een eenduidige indicator is van veiligheid of draagkracht, maar mede beïnvloed kan worden door de mate van activatie en groepsdynamiek.
In de praktijk wordt dan ook regelmatig gezien dat, naarmate de collectieve drang binnen een groep om door te gaan toeneemt, de kans groeit dat grenzen reeds onder druk staan.
Dit onderstreept het belang van een actieve rol van de begeleider in het bewaken van tempo, dosering en veiligheid binnen het groepsproces, evenals in het reflecteren op de eigen tegenoverdrachtsreacties.
Waarschuwingssignalen van groepsregressie kunnen zich op verschillende manieren manifesteren en vragen om een actieve en geïnformeerde respons van de begeleider. In trauma-sensitief werken kunnen deze signalen beschouwd worden als impliciete stopcriteria, die aangeven dat het proces dient te vertragen of terug te keren naar stabilisatie.
Een eerste belangrijk signaal is de combinatie van hoge intensiteit met een afname van reflectief vermogen. Wanneer deelnemers een sterke drang uiten om het proces verder te intensiveren, terwijl er weinig ruimte is voor vertraging, twijfel of begrenzing, kan dit wijzen op een verschuiving van regulatie naar activatie. Binnen de traumatheorie wordt dit begrepen als een toestand waarin het zenuwstelsel buiten de zogeheten window of tolerance beweegt, waardoor het vermogen tot zelfwaarneming en reflectie vermindert (Siegel, 1999; Ogden et al., 2006).
Ook lichamelijke en gedragsmatige signalen vormen belangrijke indicatoren. Vermoeidheid, glazige blikken, dissociatieve reacties of uitgesproken emotionele ontlading die gepaard gaan met een aanhoudende wens om door te gaan, kunnen wijzen op een toestand van overactivatie of ontregeling. Onderzoek toont aan dat bij trauma de interoceptieve waarneming, het vermogen om interne signalen accuraat te interpreteren, verstoord kan zijn, waardoor deelnemers hun eigen grenzen minder betrouwbaar inschatten (Van der Kolk, 2014; Ogden et al., 2006).
Daarnaast kan groepsdynamiek deze processen versterken. Binnen groepen kan emotionele en fysiologische resonantie leiden tot een gedeelde toename in arousal, wat gepaard kan gaan met een verminderd individueel onderscheidingsvermogen (Hatfield et al., 1994; Yalom & Leszcz, 2005). In dergelijke omstandigheden wordt stilte niet zelden geïnterpreteerd als instemming, terwijl deze ook een uitdrukking kan zijn van terugtrekking, verminderde afstemming of impliciete groepsdruk.
Vanuit klinisch perspectief geldt daarom dat de manier waarop deelnemers reageren op de vraag “is het oké om door te gaan?” een belangrijke indicator vormt. Wanneer expliciete weerstand uitblijft, maar er evenmin sprake is van een geaarde, gedragen instemming, is het aangewezen om het proces te vertragen en terug te keren naar regulatiegerichte interventies. Dit sluit aan bij inzichten uit lichaamsgerichte traumabenaderingen, waarin het belang van titratie en pendulatie wordt benadrukt om overbelasting van het zenuwstelsel te voorkomen (Levine, 1997).
Tot slot vormt ook de innerlijke afstemming van de begeleider zelf een relevante graadmeter. Wanneer twijfel ontstaat over het al dan niet verderzetten van het proces, kan dit worden opgevat als een signaal dat het groepsveld een grens nadert. In trauma-sensitief werken wordt deze vorm van professionele zelfwaarneming beschouwd als een essentieel onderdeel van het bewaken van veiligheid en dosering binnen het proces.
Vicarious trauma: de impact van collectieve resonantie
Een belangrijke hefboom in experiëntiële groepstherapie ligt niet uitsluitend in de methodieken die worden aangereikt, maar minstens evenzeer in de impliciete en expliciete ervaringen die groepsleden met elkaar delen. Deze onderlinge beïnvloeding, zowel bewust als onbewust, kan een sterk harmoniserend en regulerend effect hebben. Groepsleden leren elkaar ondersteunen, herkennen zichzelf in gedeelde ervaringen en vinden normalisatie van emotionele beleving binnen een niet-veroordelende context. Dergelijke processen sluiten aan bij wat binnen de groepspsychotherapie wordt beschreven als therapeutische factoren, zoals universalisatie, cohesie en interpersoonlijk leren (Yalom & Leszcz, 2005).
Daarnaast kan er binnen groepen sprake zijn van emotionele en fysiologische resonantie, waarbij deelnemers elkaars affectieve toestand onbewust overnemen of versterken. Dit proces wordt in de literatuur wordt aangeduid als ‘emotional contagion’ (Hatfield et al., 1994). Vanuit een neurobiologisch perspectief kan dit begrepen worden als co-regulatie tussen zenuwstelsels, waarbij veiligheid en verbinding bijdragen aan herstel van regulatie (Porges, 2011). Wanneer deze processen voldoende gedragen worden, kunnen zij een diep herstellend effect hebben.
Deze ogenschijnlijk harmoniserende dynamiek vraagt echter om ervaring en behendigheid van de facilitator. Ze veronderstelt een voortdurende alertheid voor momenten waarop deze processen de grens van veiligheid kunnen benaderen of overschrijden. Elke deelnemer brengt een unieke en vaak complexe levensgeschiedenis mee, waarin uiteenlopende vormen van pijn, teleurstelling, kwetsbaarheid en coping aanwezig zijn. Het exploreren van deze ervaringen in de nabijheid van anderen laat zelden de groep onberoerd, integendeel.
In groepswerk ontstaat vaak een vorm van meervoudige resonantie: deelnemers worden geraakt door hun eigen proces én door dat van anderen. Dit sluit aan bij bevindingen uit de traumaliteratuur, waar wordt beschreven dat blootstelling aan emotioneel geladen materiaal niet alleen intrapsychisch, maar ook interpersoonlijk doorwerkt (Van der Kolk, 2014). Dit vraagt van de therapeut een verfijnd vermogen om deze dynamieken te dragen, te begrenzen en te begeleiden, zonder het individuele proces van de cliënt te onderbreken of te minimaliseren.
Afstemmen en afbakenen tegelijk vormt hierbij een complexe en deels kunstzinnige vaardigheid, die moeilijk te standaardiseren is en zich vooral ontwikkelt door ervaring en reflectie.
Het belang hiervan wordt benadrukt door het fenomeen van vicarious traumatization, of secundaire traumatisering: de psychologische impact die kan ontstaan door empathische blootstelling aan het trauma van anderen (Molnar et al., 2017; Pearlman & Saakvitne, 1995). Hoewel dit fenomeen vaak geassocieerd wordt met hulpverleners, tonen latere inzichten aan dat ook cliënten binnen groepscontexten gevoelig kunnen zijn voor dergelijke processen, zeker wanneer regulatie, begrenzing en integratie onvoldoende ondersteund worden (Figley, 1995).In een groepscontext kan dit zich uiten als emotionele uitputting, diffusie van grenzen en activatie zonder integratie.
De sleutel tot een evenwichtige groepstherapeutische ervaring ligt onder meer in een gebalanceerde opbouw van het programma en zorgvuldig afgestemde interventies, die zowel deelnemers als therapeut in staat stellen om op een veilige manier, in verbinding met zichzelf en de ander, het proces te doorlopen.
Dosering als kernprincipe: oscillatie in plaats van accumulatie
Het ontwikkelen van een experiëntieel groepsprogramma vraagt van de begeleider een verfijnde vaardigheid in het doseren en opbouwen van ervaringen, zodanig dat deelnemers hun gevoel van veiligheid kunnen behouden en verdiepen. Binnen lichaamsgerichte psychotherapeutische werkvormen vormt activatie een centraal kenmerk: ervaringen worden niet alleen cognitief benaderd, maar ook fysiek en emotioneel doorleefd. Interventies spreken vaak het hele organisme aan en hebben een uitgesproken psychosomatisch karakter, waarbij zowel lichamelijke als psychische lagen van de ervaring worden geraakt.
Inzichten uit de neurowetenschappen hebben de moderne psychotherapie verder verdiept en dragen bij aan een verschuiving weg van een strikt dualistisch mensbeeld. In plaats daarvan wordt het lichaam erkend als een essentieel onderdeel van psychisch functioneren en herstel. Vanuit deze benadering wordt duidelijk dat bepaalde principes noodzakelijk zijn om een neurofysiologisch evenwicht te ondersteunen.
Een kernprincipe binnen lichaamsgerichte traumabenaderingen is dat activatie dient te oscilleren in plaats van te accumuleren (Levine, 1997). Dit betekent dat periodes van verhoogde activatie worden afgewisseld met momenten van regulatie en herstel.
De term oscillatie is afgeleid van het Latijnse oscillare, wat “heen en weer bewegen” of “schommelen” betekent, en verwijst oorspronkelijk naar een object dat ritmisch beweegt rond een evenwichtspunt, zoals een blad dat door de wind heen en weer wordt bewogen.
Binnen ervaringsgerichte psychotherapie verwijst oscillatie naar het bewust organiseren van afwisseling in het proces: tussen activatie en regulatie, tussen diepte en verbinding, tussen spanning en ontspanning. Deze afwisseling wordt niet toevallig overgelaten, maar vormt een essentieel onderdeel van de opbouw van het programma en de gekozen interventies.
Het tegenovergestelde, een opeenvolging van activerende oefeningen zonder voldoende ruimte voor rust, integratie of herstel, kan leiden tot accumulatie van prikkels. Zonder oscillatie ontstaat cumulatieve activatie, wat gepaard kan gaan met verlies van grensbewustzijn, verhoogde impulsiviteit en ontregeling van het zenuwstelsel.
Dit principe sluit aan bij de notie van de window of tolerance (Siegel, 1999), waarin wordt gesteld dat optimale arousal noodzakelijk is voor het kunnen verwerken en integreren van ervaringen.
Het principe van oscillatie krijgt pas werkelijk betekenis in de concrete opbouw van een dagprogramma en de keuze van interventies. In plaats van een lineaire opbouw waarin intensiteit zich opstapelt, vraagt (trauma-)sensitief groepswerk om een ritmische afwisseling tussen activatie en regulatie. Oscillatie betekent niet dat activatie altijd nodig is, maar dat wanneer activatie plaatsvindt, deze ingebed wordt in regulatie.
Op het niveau van een dagstructuur betekent dit bijvoorbeeld dat intensieve, activerende werkvormen - zoals opstellingen, lichaamswerk of emotioneel verdiepende oefeningen - worden afgewisseld met momenten van integratie en herstel. Deze kunnen bestaan uit grondingsoefeningen, ademregulatie, zachte beweging, reflectie, stilte of contact met de omgeving (bijvoorbeeld wandelen in de natuur).
Een mogelijke dagopbouw kan er als volgt uitzien:
- Start: oriëntatie, aankomen in het lichaam, creëren van veiligheid
- Eerste werkblok: beperkte diepgang, exploratie met voldoende regulatie
- Integratiemoment: vertraging, lichaamsbewustzijn, reflectie
- Tweede werkblok: eventueel meer diepgang, mits voldoende draagkracht
- Afronding: expliciete terugkeer naar regulatie,reflectie en verbinding
Ook binnen individuele interventies speelt oscillatie een cruciale rol. Deze specifieke toepassing van oscillatie als een therapeutische techniek kennen we als pendulatie. Het is een bewuste aandachtsoefening binnen één persoon. De begeleider kan deelnemers actief ondersteunen in het heen en weer bewegen tussen activatie en regulatie, bijvoorbeeld door aandacht te richten op een spanningsgebied en daarna op een neutrale of veilige plek in het lichaam, emotionele expressie af te wisselen met oriëntatie in de ruimte of intens contact te laten volgen door afstand en reflectie
Dit sluit aan bij het principe van pendulatie binnen Somatic Experiencing (Levine, 1997), waarbij het zenuwstelsel leert om spanning gedoseerd te benaderen en weer los te laten.
Wanneer deze afwisseling ontbreekt en meerdere intensieve processen elkaar snel opvolgen, ontstaat het risico dat activatie zich accumuleert. Dit kan leiden tot verminderde regulatie, verlies van grenzen en een verhoogde kwetsbaarheid voor ontregeling, zowel individueel als op groepsniveau.
Niveaus van werken: het onderscheid tussen verkenning en verwerking
Niet elk werken met trauma is traumaverwerking. Het is essentieel om onderscheid te maken tussen verschillende niveaus. Herman (1992) beschreef een gefaseerd model van traumabehandeling waarin veiligheid, verwerking en reconnectie elkaar opvolgen. Binnen hedendaagse lichaamsgerichte en trauma-sensitieve benaderingen worden deze fasen vaak vertaald naar stabilisatie, gedoseerde activatie en integratie (Levine, 1997; Ogden et al., 2006; Fisher, 2017).
Op een eerste niveau ligt de nadruk op stabilisatie en verkenning, waarbij men binnen de window of tolerance blijft. Deze focus op stabilisatie sluit aan bij het gefaseerde traumamodel van Herman (1992), waarin veiligheid en stabiliteit als eerste noodzakelijke stap worden gezien. Hier zal de therapeut geen diepe trauma-herinneringen activeren, maar blijft hij werken met het regulerend vermogen dat beschikbaar is in de cliënt. Interventies dienen gedoseerd aangebracht te worden in deze fase en zullen dissociatie, overweldiging, freeze-reacties en de zgn. collaps eerder vermijden.
Op een tweede niveau ontstaat lichte activatie, die gedoseerd wordt via titratie en pendulatie, kernprincipes binnen Somatic Experiencing (Levine, 1997). We spreken over een trauma-sensitieve faciliatie, waar de volledige traumaverwerking uitblijft. Veiligheid, vertrouwen, keuzes kunnen maken, samenwerking, empowerment en culturele sensitiviteit krijgen verdieping en vormen een belangrijke stap in het helingsproces. Ook hier zullen de interventies hyper-arousal, dissociatie, verlies van differentiatie, lichaam verliest regulatievermogen (adem blokkeert, trillen zonder containment, freeze die niet spontaan oplost, fawning, …) trachten te vermijden.
Een derde niveau betreft traumaverwerking, waarbij gewerkt wordt met impliciet geheugen en herorganisatie van het zenuwstelsel. Onder begeleiding van een opgeleid therapeut zal de patiënt leren hogere activatie toe te laten. Fight-flight-freeze responsen worden doorwerkt en dissociatieve delen worden erkent. Hier is de therapie gericht op de herorganisatie van o.a. het zenuwstelsel en ligt een belangrijk doel in het herstel van eigenwaarde en beslissingsmogelijkheden of ‘agency’. Het is vanzelfsprekend dat de therapeutische relatie hier heel belangrijk is en de therapie gedragen wordt over de tijd, waar voldoende tijd is voor integratie. Dit vereist een therapeutische setting en gespecialiseerde opleiding (Ogden et al., 2006).
Grenzen en verantwoordelijkheid
Groepsgerichte therapie en ervaringsgerichte therapiegroepen vragen om een duidelijk omlijnd normatief kader. Afspraken en grenzen dienen voorafgaand aan de start van het programma helder gecommuniceerd en expliciet afgestemd te worden met de deelnemers. Naarmate groepsbijeenkomsten intensiever worden of zich over meerdere dagen uitstrekken, neemt de kans toe op processen van versmelting, regressie en grensvervaging. Vooraf overeengekomen afspraken vormen in dergelijke contexten een belangrijk gedragen kader dat helpt om veiligheid en wederzijdse verantwoordelijkheid binnen de groep te bewaken.
Afspraken rond fysieke en seksuele integriteit vragen daarbij bijzondere explicitering. Grenzen rond aanraking, consent en relationele interacties dienen vooraf helder benoemd te worden. Ook afspraken over bijvoorbeeld alcohol- of middelengebruik kunnen binnen bepaalde programma’s essentieel zijn om veiligheid en regulatie te ondersteunen.
Daarnaast is het belangrijk dat deelnemers expliciet toestemming krijgen om de ruimte tijdelijk te verlaten wanneer regulatie of draagkracht onder druk komen te staan, mits dit op een heldere manier gecommuniceerd wordt. Dergelijke afspraken dragen niet alleen bij aan individuele veiligheid, maar ook aan rust en voorspelbaarheid binnen de groep als geheel.
Hoewel groepsdynamiek gedrag onvermijdelijk beïnvloedt, blijft het essentieel dat deelnemers gestimuleerd worden om verantwoordelijkheid te blijven nemen voor hun eigen handelen, grenzen en keuzes binnen het proces.
Integratie als sluitstuk
Integratie is geen automatisch gevolg van intensiteit, maar vraagt om expliciete ruimte en begeleiding. Herman (1992) benadrukt dat herstel pas mogelijk wordt wanneer ervaringen geïntegreerd kunnen worden in het zelf en in relationele contexten.
De eindfase van een groepsproces vormt daarbij vaak een bijzonder kwetsbare periode. Zeker binnen de westerse cultuur, waar afscheid en loslaten regelmatig ambivalent beleefd worden, kan het afscheid bij langdurige groepstrajecten sterke emotionele reacties oproepen. Regressie, verhoogde ontlading of grensvervaging in deze fase kunnen wijzen op moeilijkheden in het autonoom leren dragen en integreren van de opgedane ervaringen.
Een zorgvuldig afgerond proces vraagt daarom niet om minder, maar juist om meer structuur. Dit betekent onder meer vertraging in de eindfase van het programma, het vermijden van nieuwe intensieve interventies, expliciete aandacht voor regulatie en onderlinge verbinding en ruimte voor reflectie, afspraken over de nazorg en eventuele opvolging. Juist in deze afrondende fase wordt zichtbaar in welke mate ervaringen niet alleen intens beleefd, maar ook daadwerkelijk geïntegreerd kunnen worden.
Conclusie
Ervaringsgericht groepswerk kan een diep transformerende context vormen waarin verbinding, herkenning en herstel mogelijk worden. Tegelijk vraagt werken met trauma in groep een hoge mate van klinische gevoeligheid, structurering en professionele verantwoordelijkheid. Intensiteit op zich is geen garantie voor integratie en verbondenheid alleen creëert niet automatisch veiligheid.
Traumasensitief groepswerk vraagt daarom meer dan methodische kennis alleen. Het vraagt van begeleiders een voortdurende afstemming op dosering, regulatie, groepsdynamiek en individuele draagkracht. Intake, containment, begrenzing, oscillatie en integratie vormen daarbij geen bijkomstigheden, maar essentiële voorwaarden voor veilig werken. Onveiligheid in groepswerk ontstaat zelden door één incident, maar door een combinatie van factoren, waar een onzorgvuldige intake en anamnese, gebrek aan dosering, te grote groepen en onvoldoende integratie belangrijke risicofactoren vormen.
Misschien ligt de kwaliteit van een ervaringsgericht proces uiteindelijk niet in de intensiteit van wat beleefd wordt, maar in de mate waarin ervaringen gedragen, gereguleerd en geïntegreerd kunnen worden, door zowel deelnemers als begeleiders.
Professioneel handelen vraagt daarom een verschuiving van het begeleiden van processen naar velden ontwerpen die veiligheid dragen. Want veiligheid ontstaat niet vanzelf uit openheid, verbondenheid of emotionele diepgang, maar vraagt zeker evenzeer actieve structurering, dosering en begrenzing.
Literatuurlijst (APA)
Figley, C. R. (Ed.). (1995). Compassion fatigue: Coping with secondary traumatic stress disorder in those who treat the traumatized. Brunner/Mazel.
Fisher, J. (2017). Healing the fragmented selves of trauma survivors: Overcoming internal self-alienation. Routledge.
Hatfield, E., Cacioppo, J. T., & Rapson, R. L. (1994). Emotional contagion. Cambridge University Press.
Herman, J. L. (1992). Trauma and recovery: The aftermath of violence: From domestic abuse to political terror. Basic Books.
Levine, P. A. (1997). Waking the tiger: Healing trauma. North Atlantic Books.
Matalon, N., Dorman-Ilan, S., Hasson-Ohayon, I., Hertz-Palmor, N., Shani, S., Basel, D., Gross, R., Chen, W., Abramovich, A., Afek, A., Ziv, A., Kreiss, Y., & Pessach, I. M. (2021). Trajectories of post-traumatic stress symptoms, anxiety, and depression in hospitalized COVID-19 patients: A one-month follow-up. Journal of Psychosomatic Research, 143, 110399. https://doi.org/10.1016/j.jpsychores.2021.110399
Molnar, B. E., Sprang, G., Killian, K. D., Gottfried, R., Emery, V., & Bride, B. E. (2017). Advancing science and practice for vicarious traumatization/secondary traumatic stress: A research agenda. Traumatology, 23(2), 129–142. https://doi.org/10.1037/trm0000122
Ogden, P., Minton, K., & Pain, C. (2006). Trauma and the body: A sensorimotor approach to psychotherapy. W. W. Norton.
Pearlman, L. A., & Saakvitne, K. W. (1995). Trauma and the therapist: Countertransference and vicarious traumatization in psychotherapy with incest survivors. W. W. Norton.
Pierce, M., Hope, H., Ford, T., Hatch, S., Hotopf, M., John, A., Kontopantelis, E., Webb, R., Wessely, S., McManus, S., & Abel, K. M. (2020). Mental health before and during the COVID-19 pandemic: A longitudinal probability sample survey of the UK population. The Lancet Psychiatry, 7(10), 883–892. https://doi.org/10.1016/S2215-0366(20)30308-4
Porges, S. W. (2011). The polyvagal theory: Neurophysiological foundations of emotions, attachment, communication, and self-regulation. W. W. Norton.
Siegel, D. J. (1999). The developing mind: Toward a neurobiology of interpersonal experience. Guilford Press.
Van der Kolk, B. A. (2014). The body keeps the score: Brain, mind, and body in the healing of trauma. Viking.
Vindegaard, N., & Benros, M. E. (2020). COVID-19 pandemic and mental health consequences: Systematic review of the current evidence. Brain, Behavior, and Immunity, 89, 531–542. https://doi.org/10.1016/j.bbi.2020.05.048
Wind, T. R., Rijkeboer, M., Andersson, G., & Riper, H. (2020). The COVID-19 pandemic: The “black swan” for mental health care and a turning point for e-health. Internet Interventions, 20, 100317. https://doi.org/10.1016/j.invent.2020.100317
Xiong, J., Lipsitz, O., Nasri, F., Lui, L. M. W., Gill, H., Phan, L., Chen-Li, D., Iacobucci, M., Ho, R., Majeed, A., & McIntyre, R. S. (2020). Impact of COVID-19 pandemic on mental health in the general population: A systematic review. Journal of Affective Disorders, 277, 55–64. https://doi.org/10.1016/j.jad.2020.08.001
Yalom, I. D., & Leszcz, M. (2005). The theory and practice of group psychotherapy (5th ed.). Basic Books.